Overdenkingen

God, wetenschap en wonderen

zondag 23 augustus 2026 · ds. Petra Schipper

Bijbelteksten: Genesis 1:1-5, 26-27 · Psalm 8 · Handelingen 17:16-34

Wolkenlucht boven een wolkendek

Op verzoek van toehoorders delen we de tekst van een "preek". Reacties zijn zeker welkom!

Geliefde mensen van God,

Een chassidisch joods verhaal. Vanuit het bovenraam dat uitkeek op de markt, zag een rabbi eens één van zijn leerlingen in grote haast voorbij rennen. Hij stak zijn hoofd uit het raam en riep: "Heb je al naar de hémel gekeken vanmorgen?" "Néé, riep zijn leerling terug. Geen tijd voor gehad, druk, druk, druk..." "Geloof me, zei de rabbi, "over vijftig jaar zal alles wat jij hier ziet verdwenen zijn. Er zal een andere markt zijn met andere kraampjes, andere paarden, andere wagens, andere mensen. Ik zal er niet meer zijn en jij ook niet. Wàt is er dan zo belangrijk dat jij geen tijd hebt om naar de hémel te kijken?"

Dit joodse verhaal is misschien al 100 jaar oud. Die rabbi en zijn leerling en de marktkraampjes en die wagens met paarden zijn er inderdaad niet meer. Maar hoe actueel. Een leerling, een student zeg maar, kan zich vergalopperen. Iemand die wil leren en weten loopt altijd achter de feiten aan. Wetenschap staat altijd onder tijdsdruk. Terwijl grote wetenschappelijke doorbraken altijd bijzonder veel tijd nodig hebben gehad en nog.

Naar de hemel kijken. Doen we dat wel 's ècht? Meer dan voor een zonsverduistering van laatst? "Aanschouw ik de hemel, het werk van uw vingers, de maan, de sterren…." Aanschouwen is meer dan vaststellen en in kaart brengen hoe iets eruit ziet. Wat je ziet is niet jouw object. Het doet iets met jou. Je kunt dan zelfs ervaren dat je aanschouwd wòrdt. Opgemerkt, aangekeken, geliefd. "… wat is een mens dat U naar hem omziet?" Verwondering. Dat zet alles en ook jouzelf in een ander licht. Het licht van de eeuwigheid. Van hoop.

We denken samen verder na over God. Vorige week God in de stilte, het verborgene. Vandaag God in verhouding tot wetenschap. En in het verlengde: wat we kunnen met wonderen in de Bijbel.

Dat spanningsveld is niet nieuw. Paulus begeeft zich in het wetenschapscentrum van zijn wereld, de bakermat van de onze!, en gaat ermee in debat; dagelijks!, niet over één nacht ijs dus. Hij observeert nauwkeurig en knoopt zorgvuldig aan bij het taalveld, de belevingswereld, van de Griekse wetenschap, filosofie, literatuur. Die mannen daar stelden hun eigen goden in vraag (epicureërs, stoicijnen), maar lieten de beelden nog wel staan. Och ja, traditie hè. Dat is ergerlijk!, vindt Paulus. En opvallend: er staat ook een voorstelling van "de onbekende god". "Er zal toch wel iets zijn", zeggen mensen nu ook die niet alles willen weggooien. Veel huidige wetenschappers zijn ietsisten of agnosten. En dat lijkt intellectueel wel zo eerlijk. Je sluit niet uit dat er meer is dan we weten. Iets. Alleen, met "iets", zoiets vaags hoéf je dan ook niet zoveel. "Iets" blijft afstandelijk en kil. Je kunt er zelfs over beschikken: er uit interessantigheid allerlei poespas omheen bouwen. Tempels, ideeën, discussies, concepten.

"Allemaal véél te vrijblijvend", vindt Paulus en hij vertelt over Jezus en de opstanding. "Oké, verklaar je nader", zeggen ze. "Wat bedoel je, vreemdeling? Exotisch, dat gepraat van jou, kom maar op, interessant." "Ach hou op met je interessant", zegt Paulus. "Onbekende god in zo'n standbeeldje, is daar de kous mee af? Wees eerlijk: achter jullie gedebatteer blijven jullie op zoek. En dat is goed. Die God, die jullie inderdaad niet kennen maar eigenlijk wel zoeken, hij past in geen enkel kader of gebouw of instituut van ons, hij gaat ons allemaal te boven. Niet wij plaatsen hem maar hij plaatst ons in deze wereld. Niet wij brengen hem voort maar hij ons. En meer nog: hij roept ons, tot niks minder dan nieuw leven. Zoals Jezus die is gestorven en opgestaan." "Dat is wel radicaal, Paulus. Dat komt wel dicht op ons vel." "Klopt", zegt Paulus: "God is vlakbij." Pfff. Ongemakkelijk. Zeker voor denkers.

Laten we eerlijk zijn: ook wij houden met onze rationaliteit en interessantigheid graag afstand. Wij maken soms ook ideeën óver God, moderne godsbeeldjes. Dit breekt daarop in. Die onbekende God laat zich niet in een theorie vangen en dus monddood maken, hij zoekt ons op van dichtbij. Geloof was en is geen kwestie van argumenten. We zijn meer dan ons ratio. Wetenschap is interessant en belangrijk. Geloof vraagt naar òns. Die kwetsbare gekwetste God, die doet wat met onze ongenaakbaarheid…

Wetenschap en geloof. Beide zijn nodig. Ze houden elkaar in evenwicht. Ze beslaan verschillende dimensies van het menszijn. En als het goed is komen ze uit een gemeenschappelijke bron. Twee vormen van zoeken. Beide leven ze op verwondering. Op "hoe is het mogelijk!?". Vanuit die zoektocht speurt wetenschap naar verbanden, oorzaken, brengt die verifieerbaar in kaart en zoekt verder. Van de ene hypothese naar de volgende. Altijd met voorbehoud. Anders is het geen wetenschap. Eerlijke wetenschap beseft hoe weinig we nog ècht weten. Veel wetenschappers ervaren in hun wetenschapsbeoefening aanhoudende verwondering.

Religie bespeurt, ook vanuit verwondering, dat er achter en in al het waarneembare een bezield en bezielend groter verband is. Existentiële betekenis. Waarde. Ethiek. Religie gaat in op de diepere vraag: hoe staan we in die werkelijkheid, hoe gaan we daarmee om. En wat beteken ik, wij. Als het goed is dus ook zoekend met een open blik, vanuit verwondering. Wetenschap bestudeert het bestaan, religie beoefent het leven.

Beide zijn nodig. Als wetenschap en geloof tegenóver elkaar worden gezet, doet dat beide onrecht. De wetenschappelijke genie Albert Einstein zei: "wetenschap zonder religie is kreupel, religie zonder wetenschap is blind". Wij zouden nu kunnen zeggen: wetenschap zonder religie is beperkt, religie zonder wetenschap is oogklepperij. Die tegenstelling in onze tijd ontstond toen wetenschap zich ontworstelde aan de macht van de Kerk. In die strijd hebben wetenschap en religie allebei karikaturen gemaakt van elkaar en van zichzelf. En daarmee van God, en van de mens. Religie werd: het verdedigen van dogma's, van de "waarheid van de bijbel" tegenover de "leugen" van de wetenschap. Ja, dan worden wonderen ook iets raars… en God zelf. Dat is jammer. Want zo maakt religie het veel mensen moeilijk om te geloven… Je belandt in een wereldvreemd hokje en hebt geen boodschap meer aan de wereld. Notabene Gods wereld. Maar het is niet alleen jammer.

Geloof tegenover wetenschap is schadelijk, zelfs gevaarlijk. De Duitse verzetstheoloog Dietrich Bonhoeffer heeft hiervoor gewaarschuwd. "Als de kerk zich defensief terugplooit, geeft ze de kwade machten in de wereld alle ruimte. En dat terugplooien kwam", zo schreef hij, "omdat ze God heeft opgevat als een stoplap: voor alles wat we niet kunnen verklaren. Verstand op nul. "Geloof het maar gewoon." Dat terrein wordt steeds kleiner want de wetenschap verklaart steeds meer. Pas op voor zo'n terreinverdeling", zegt Bonhoeffer. "God is in alles, is in alles relevant. God stelt alle machtsaanspraken, goden in vraag. Dus is het ook een kerntaak van de kerk om in de wereld alle schadelijke machten van haar tijd actief aan te kaarten. Te boycotten." Dat heeft Bonhoeffer inderdaad willen doen, het heeft hem zijn leven gekost. Zijn woorden en zijn moed hebben ons vandaag opnieuw veel te zeggen…

God is in alles. Paulus zegt dat hier ook. Dus ook in wonderen. Wonderen zijn niet iets aparts, als opheffing van natuurwetten, hocuspocus en magie, nee de hele werkelijkheid is Gods wonderlijke wereld. Het is vol wonderen om ons heen. In de Bijbel zijn wonderen openingen, kiertjes, glimpjes, tékenen, van hoe God de werkelijkheid bedoéld heeft. Ja, ze doorbreken, kaarten aan, datgene wat die werkelijkheid verstoort: wat mensen neerdrukt of in hun ego opsluit. Slavernij van de zinloosheid, noemt Paulus dat in Romeinen 8. Wonderen zijn protest daartegen. Brengen de schepping terug naar haar bestemming. Mensen moeten niet kreupel, uitgestoten en hopeloos door het leven gaan. Dood en onvruchtbaarheid hebben niet het laatste woord. Elk sprietje gras in onze droge grond en elk verborgen zaadje van klaprozen die we toch volgend jaar weer zullen zien is een kostbaar wonder. En elke mens die goed doet en volhoudt in deze wereld.

"Kijk naar de mussen", zingen we met de kinderen. William Blake dichtte het zo:

To see a world in a grain of sand
And a heaven in a wild flower,
Hold Infinity in the palm of your hand
and Eternity in an hour.

(Een wereld zien in een zandkorrel, een hemel in een wilde bloem, oneindigheid in je handpalm houden, eeuwigheid in een uur.) Dat blijven zien. Het wonder zien. Dat zet alles in een ander licht.

Hoé kunnen wij spreken over God, in deze stad van wetenschap; in deze wereld vol machts- en waarheidsaanspraken? Misschien moeten we het anders vragen: hoezo zouden we niét stilstaan bij God, Hij die het leven draagt en doodmakende machten op hun plaats zet? Anders zijn we daaraan overgeleverd. Ook wij vandaag zijn niet vrij van afgoderij en demonisch kwaad. Sterker nog: juist ontkenning daarvan geeft die vrij spel. En we zien gebeuren hoe vernietigend dat werkt. Natuur die we niét meer als schepping zien is ten dode opgeschreven. Wetenschap zonder ethiek kan een gevaarlijk instrument worden.

Dus toch, of juist, spreken over God. Maar hoe? Onze bijbelgedeelten geven het aan. Genesis, de psalm en zelfs Paulus. Allemaal poëzie. Verwondering. Bezieling. In God leven wij en bewegen wij, Hij is niet ver is van ons, al tastend komen we hem op het spoor. Hij schiep de mens, als zijn volwaardige partner in het zorgzaam beheer van alles wat leeft. Hij maakt zich weerloos tot aan het kruis, èn is onstuitbaar opstandig tegen alles wat dood maakt. Hij vraagt dat we meedoen, het leven blijven huldigen en dus ook opstaan tegen de dood.

Het scheppingsverhaal is óók een verzetslied tegen duisternis en dood. De psalm bezingt ook de kracht van kindermonden die geweld kan breken. Paulus maakt ook tegenpoëzie van hoop en een nieuw begin.

Wonderlijk allemaal. Ongrijpbaar in theorieën. Je kunt dit alleen maar met ontzag uitbrengen. In poëzie, in liederen. In liturgie wordt ons geloof gevoed, in zingen en bidden houden we de verwondering levend.

Hoe geloven wij? Hoe léven wij? Vandaag in onze tijd van kennis en haast? Aanschouwen we de hemel, staan we stil in de tijd, zoals die rabbi in ons beginverhaal? Durven we onze godsbeelden in hun voorlopigheid zien? Kunnen we in alles mens blijven, niet afstandelijk maar nabij medemensen, als mede-beelddragers van God, ook of juist wie anders zijn dan wij? Ook onze kerk is al een wonder: hoe wij als zo verschillende mensen respectvol met elkaar leren omgaan! De mooiste wonderen liggen vaak vlak voor ons.

Geloven kan, ja, ook als wetenschapper, en gewoon als mens, als je lééft uit verwondering. Kleine kinderen leren ons dat ook. Daarom tot slot een gedicht als het ware uit de mond van een kind. Over God, de wereld en wonderen: God allemachtig, van Karel Deurloo:

God allemachtig
Hoe kom ik daar in Gods naam toch bij?
Zoveel om me heen is zoveel en zo prachtig
God zal mij bewaren, maar waarom uitgerekend mij?

Miljoenen sterren zwerven en zweven
Ik weet in de verste verte niet waar.
Wat zou je om één klein rot-sterretje geven
Dat is de zòn alleen nog maar.

En om onze zon tuimelen planeten
Zo'n Mars of Venus, die draaien maar door.
Onze aarde kan je dan wel vergeten
De kleine aarde stelt niet veel voor.

Op aarde zijn bossen, zeeën en rivieren
Er is zovéél dat groeit en leeft.
Hoe komt het dan dat God bij al die dieren
Iets bijzonders met mènsen heeft?

Ik ben maar een kind, dat woont in de straten
Van zomaar een stad, ik speel hier vaak.
Wie is God, die het niet kan laten
Te glimlachen als ik een goaltje maak?

God allemachtig
Hoe kom ik daar in Gods naam toch bij?
Zoveel om me heen is zoveel en zo prachtig
God zal mij bewaren, maar waarom uitgerekend mij?

😊 Jawel, uitgerekend mij, en jou, èn àlles wat leeft. Wat een wonder is dàt!, Godallemachtig!

Amen.

Foto: Unsplash